Franchise regelgeving – een zéér moeizaam proces en een nieuwe wending

Tessa de Mönnink

Het zelfreguleringsproces rondom franchise is niet geslaagd en deskundigen geven aan dat het recente conceptwetsvoorstel franchise en de Nederlandse Franchise Code méér problemen opleveren dan oplossen. Ook is de proportionaliteit zoek tussen de (vermeende) gesignaleerde problemen op het gebied van franchise en het conceptwetsvoorstel. Het regeerakkoord Rutte III spreekt over “het versterken van de positie van franchisenemers in de pre-competitieve fase”  hetgeen duidt op een hele nieuwe benadering.

Inmiddels heeft staatssecretaris Mona Keijzer (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) de positie van het nieuwe kabinet ten aanzien van franchise verduidelijkt; alhoewel het alsnog niet duidelijk wordt wat er nu precies gaat gebeuren. Mona Keijzer heeft in een brief van 23 mei jl. aan de Tweede Kamer laten weten bezig te zijn met nieuwe wetgeving op het gebied van franchise (https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2018/05/23/kamerbrief-stand-van-zaken-regelgeving-franchise/kamerbrief__Stand_van_zaken_regelgeving_franchise.pdf).

Hiermee wordt er invulling gegeven aan de voorgenomen wens uit het regeerakkoord om de positie van de franchisenemer te versterken. Verder wordt hiermee uitdrukkelijk afstand genomen van het eerdere conceptwetsvoorstel die de Nederlandse Franchise Code wettelijk zou gaan verankeren.

Keijzer heeft aangegeven dat goede en evenwichtige afspraken tussen franchisegevers en franchisenemers in het belang zijn van de sector zelf en de Nederlandse economie. Op basis van gesprekken met de sector stelt Keijzer nu samen met de Minister voor Rechtsbescherming, Sander Dekker, een nieuw wetsvoorstel franchise op. Hierdoor worden de belangen van de franchisegever en die van de (aspirant-)franchisenemer onderling meer in balans gebracht.

Het nieuwe wetsvoorstel franchise zal volgens de brief van Keijzer zien op vier deelgebieden, te weten:

  1. de precontractuele uitwisseling van informatie;
  2. de tussentijdse wijziging van een lopende franchiseovereenkomst;
  3. het overleg tussen de franchisegever en zijn franchisenemers; en
  4. de beëindiging van de franchisesamenwerking.

Keijzer zegt hierover verder nog: “Ik streef ernaar dit najaar een wetsvoorstel te publiceren voor consultatie. Daarbij zie ik mij geplaatst voor de uitdaging om effectieve bescherming te bieden waar deze nodig is om onbehoorlijke handelspraktijken tegen te gaan. Tegelijkertijd wil ik maximaal ruimte geven aan samenwerking tussen ondernemers waar deze op evenwichtige wijze het belang van alle betrokkenen dient. Dit raakt aan verschillende rechtsgebieden en grote economische belangen.”

Het is nu natuurlijk zeer de vraag hoe het nieuwe wetsvoorstel franchise eruit gaat zien en of het op meer enthousiasme zal worden ontvangen dan het oude conceptwetsvoorstel en de Nederlandse Franchise Code, die in de prullenmand lijken te zijn beland.

Tessa de Mönnink heeft recentelijk een uitgebreid artikel geschreven over de al dan niet noodzaak van franchise wetgeving, welk artikel in april jl. is gepubliceerd in het Tijdschrift Overeenkomst in de Rechtspraktijk, onder de titel: “Franchise, begin met het waarom”. Indien u prijs stelt op een kopie van dit artikel kunt u een mail sturen naar: demonnink@gmsadvocaten.nl

 

This entry was posted in Nieuws. Bookmark the permalink. Both comments and trackbacks are currently closed.