Goed om te weten als u procedeert

Micheline Don

Voor wie betrokken is of raakt in een juridische procedure in Nederland, zijn de volgende ontwikkelingen relevant.

Zelfstandige vordering niet-ingeschreven licentienemer

Een producent of merkhouder heeft een licentie gegeven aan een afnemer om met gebruikmaking van zijn Europese merk of modelrecht producten of diensten op de markt te brengen. Als een ander vervolgens inbreuk maakte op het merk of model (bijvoorbeeld door een identiek of sterk gelijkend merk of product aan te bieden), kon de afnemer die licentie in principe alleen tegen die derde inroepen als de licentie ingeschreven was in het Europese register voor merken en modellen. Inmiddels heeft de hoogste rechter in Europa bepaald, dat de licentienemer jegens een derde ook een beroep op de licentie kan doen als deze niet ingeschreven is. Van belang is dat de eigenaar van het merk of het modelrecht in de afspraken met de licentienemer toestemming heeft gegeven voor een eigen juridische actie door de licentienemer. Dat betekent dat de licentienemer ook een eigen vordering tot vergoeding van schade kan instellen, hij is daarvoor niet langer afhankelijk van de eigenaar van het merk/modelrecht.

Proceskostenvergoeding

Als u in Nederland procedeert, zijn de kosten in principe voor eigen rekening. Die kosten bestaan voor het grootste deel uit advocaatkosten. De rechter kent aan de winnende partij alleen een laag, forfaitair bedrag toe dat de verliezer moet betalen. Voor procedures over de handhaving van intellectuele eigendomsrechten (merken, modelrechten, auteursrechten, octrooien en handelsnamen) geldt een andere regeling. Daarin kan de winnende partij sinds 2008 zijn daadwerkelijke kosten vergoed krijgen. Deze kosten moeten wel redelijk zijn. Wat redelijk is, is veelvuldig onderwerp van discussie geweest. Om de toegekende vergoedingen in intellectuele eigendomszaken enigszins te stroomlijnen, hebben de rechters in Nederland enige jaren geleden de zgn. “indicatietarieven” vastgesteld (octrooizaken zijn daarvan vooralsnog uitgezonderd). Dat betekent dat de winnende partij in principe alleen nog het indicatietarief vergoed krijgt, uitzonderingen daargelaten.

Per 1 april 2017 zijn deze indicatietarieven herzien, om de voorspelbaarheid van het kostenrisico voor partijen te vergroten. De herziene regeling maakt onderscheid tussen zaken qua complexiteit:

zeer eenvoudig: vergoeding conform het forfaitaire bedrag
eenvoudig: maximaal EUR 6.000 in kort geding en EUR 8.000 in een bodemprocedure
normaal: max. EUR 15.000 in kort geding en EUR 20.000 in een bodemprocedure
complex: max. EUR 25.000 in kort geding en EUR 40.000 in een bodemprocedure

Partijen mogen in principe altijd onderling een afspraak maken over de te vorderen vergoeding. De rechter zal zich daar dan doorgaans aan confirmeren en de indicatietarieven negeren.

Overigens bestaat ook het risico dat de eisende partij, die een kort geding aanhangig maakte en dat voortijdig weer intrekt, veroordeeld wordt in de proceskosten van de gedaagde. Dit kan bijvoorbeeld zo zijn als de eiser de procedure nodeloos was gestart en het dus aan hem te wijten is dat partijen kosten hebben gemaakt. De gedaagde mag dan overigens wel aan de rechter vragen om de procedure alsnog te laten doorgaan, enkel voor het krijgen van een beslissing over de proceskosten.

 

 

This entry was posted in Nieuws. Bookmark the permalink. Both comments and trackbacks are currently closed.