Signaleringen franchise & distributie

Tessa de Mönnink

Er zijn een aantal interessante ontwikkelingen die zich de afgelopen tijd hebben voorgedaan op het gebied van franchise & distributie:

Wetsvoorstel franchise ‘on hold’

Allereerst is het wetsvoorstel franchise, waarover in 2017 nog een internetconsultatie werd gehouden, in oktober 2017 ‘on hold’ gezet. In het regeerakkoord Rutte III[1] dat op 10 oktober 2017 werd gepresenteerd staat over franchise:

Er komt aanvullende wetgeving op het gebied van franchise om de positie van franchisenemers in de pre-competitieve fase te versterken.”

Hiermee lijkt de nieuwe regering uitdrukkelijk afstand te nemen van het wetsvoorstel franchise en te kiezen voor wetgeving voor franchise in de precontractuele fase. Het is natuurlijk afwachten hoe dit zich verder gaat ontwikkelen. Uiteraard houden wij u op de hoogte.

Verkoop beperkingen internet platforms toegestaan!

Op 6 december 2017 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) arrest gewezen in de veelbesproken zaak Coty Germany[2]. Het HvJ heeft uitgemaakt dat een leverancier van luxeproducten zijn erkende wederverkopers mag verbieden om producten op internetplatforms van derden te verkopen. De zaak betreft het selectieve distributiesysteem van Coty, leverancier van luxe cosmetica in Duitsland. Coty´s distributieovereenkomst verbiedt distributeurs om de betreffende producten te verkopen via online platforms van derden die daarbij voor de consument kenbaar zijn. Een gerechtelijke procedure werd gestart toen Coty´s distributeur Akzente producten verkocht via het platform `amazon.de`.

Aan het HvJ werd onder andere de vraag gesteld of selectieve distributiestelsels voor de verkoop van luxe- en prestigieuze artikelen die primair tot doel hebben het “luxe-imago” van de artikelen in stand te houden, verenigbaar zijn met artikel 101(1) VWEU. In het arrest van 6 december jl. verwijst het HvJ naar vaste rechtspraak dat dergelijke distributiestelsels toelaatbaar zijn indien de wederverkopers zijn gekozen op basis van objectieve criteria van kwalitatieve aard die uniform worden vastgesteld en zonder discriminatie worden toegepast, en die niet verder gaan dan noodzakelijk is. Bedingen, zoals die van Coty, die erkende wederverkopers verbieden om via platforms van derden te verkopen zijn eveneens toegestaan wanneer dat beding ertoe strekt het luxe-imago van deze producten in stand te houden, het uniform is vastgesteld en zonder discriminatie toegepast en evenredig is aan het nagestreefde doel. Het is aan de nationale rechter om dit criterium toe te passen, maar het HvJ suggereert dat aan de voorwaarden is voldaan, te meer omdat Coty´s beding ertoe strekt om te verzekeren dat consumenten de relevante producten alleen associëren met de erkende (luxe) distributeurs – wat precies het doel is van een selectief distributiesysteem. Daarnaast suggereert het HvJEU dat het Coty-beding kan profiteren van de groepsvrijstelling voor verticale overeenkomsten van EU-verordening 330/2010, aangezien deze niet ten doel heeft de mededinging te beperken. Het beperkt met name niet het grondgebied waar de distributeur kan verkopen, noch belet het de distributeur om aan een bepaalde klantengroep te verkopen.

Dit arrest is ongetwijfeld een grote zege voor de houders van (luxe) merken die al geruime tijd tandenknarsend hebben moeten toezien hoe hun producten worden verkocht via platforms zoals Amazon. Niettemin moeten zij zich nog steeds veel laten welgevallen op grond van de groepsvrijstellingsverordening verticale overeenkomsten en is het de vraag hoe de herziene versie van 2020 er straks uit gaat zien.

Prognoses afgeven bij franchiseovereenkomsten: liever niet

Het afgeven van prognoses bij het aangaan van een franchiseovereenkomst blijft een heikele zaak. In het Street One arrest[3], heeft de Hoge Raad het Paalman/Lampenier arrest[4] verduidelijkt voor zover het gaat om een prognose die werd opgesteld door de franchisegever zelf (bij Paalman/Lampenier ging het over een prognose die werd opgesteld door een derde). De Hoge Raad oordeelt dat de franchisegever aansprakelijk is voor foute prognoses als hij deze zelf heeft opgesteld, ook als de franchisegever niet wist dat de prognose een fout bevatte. Dit betekent natuurlijk niet dat als een prognose niet wordt gehaald, dat dit zonder meer betekent dat de prognose onzorgvuldig was. Het lijkt in ieder geval verstandig voor franchisegevers om, als zij al een prognose wil verstrekken, daarbij een disclaimer te overleggen waarin gewezen wordt op de eigen verantwoordelijkheid van de franchisenemer om onderzoek te doen en gegevens zelfstandig te (laten) checken.

De opzegging van duurovereenkomsten

De Hoge Raad heeft op 2 februari 2018 een interessant arrest gewezen over de mogelijkheid tot opzegging van duurovereenkomsten[5]. De zaak betreft een (octrooi)licentieovereenkomst, waarin een looptijd van 15 jaar was afgesproken met een royaltyvergoeding van 8% per jaar. Er was daarnaast een beëindigingsmogelijkheid opgenomen in de overeenkomst en de afspraak om een ‘break-up’ fee te betalen door de licentienemer. Licentiegever (SMQ) deed een betalingsverzoek met betrekking tot licentiebetaling over 2012 en toen betaling uitbleef stelde zij de licentienemer (Goglio) in gebreke. Vervolgens heeft SMQ de overeenkomst opgezegd. Het Hof oordeelt dat de opzegging van de overeenkomst in lijn is met de contractuele beëindigingsmogelijkheid en dat het partijen zelf vrij staat om uit te maken wat zij afspreken over de mogelijkheid tot opzegging.

De Hoge Raad oordeelt dat ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van opzegging, kunnen, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden. Een beroep op een uit de wet of overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen kan op grond van art. 6:248 lid 1 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Het is aan degene die zich op dat rechtsgevolg beroept om dit te stellen en te onderbouwen.

In dit geval vond het Hof dat Goglio haar stelling dat SMQ onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, niet voldoende heeft onderbouwd en werd het contractuele beëindigingsregime redelijk geacht.

[1] VVD, CDA, D66 en ChristenUnie, Vertrouwen in de toekomst, Regeerakkoord 2017 – 2021, 10 oktober 2017, p. 35.

[2] HvJEU 6 december 2017 C-230/16 (Coty)

[3] HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:311 (Street-One).

[4] HR 25 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7329, NJ 2003/31 (Paalman/Lampenier).

[5] HR 2 februari 2018, ECLI:HR:2018:141 (Goglio/SMQ).

This entry was posted in Nieuws, Nieuws. Bookmark the permalink. Both comments and trackbacks are currently closed.