Wijziging rechtspositie ambtenaren op komst

Dorienke de Grave-Verkerk

Op 8 november 2016 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel “normalisering rechtspositie ambtenaren” aangenomen. Het doel van het wetsvoorstel is vereenvoudiging en modernisering van de ambtelijke rechtspositie. Van oudsher – bij invoering van de Ambtenarenwet in 1929 – is de positie van de ambtenaar juridisch goed geregeld, vanuit behoefte van de overheid aan een goede werking van het openbaar bestuur. De regelgeving is gericht op borging van de bekwaamheid en integriteit van de ambtenaar en op bescherming van de ambtenaar tegen de (politieke) willekeur van meerderen en bestuurders. Bedacht moet worden dat toentertijd de arbeidswetgeving voor het overige nog in de kinderschoenen stond.

Nu, bijna 100 jaar later, is dat anders en is ook het onderscheid tussen een werknemer in de private sector en in de ambtelijke sector helemaal niet zo groot meer. Veel regelgeving geldt al voor beide sectoren, bijvoorbeeld op het gebied van arbeidsomstandigheden en wettelijke verlofregelingen. Hier komt bij dat in een aantal sectoren ambtenaren en werknemers naast elkaar werken, terwijl de formele regelingen van hun posities behoorlijk uiteen lopen, bijvoorbeeld in het onderwijs en de zorg.

De nieuwe wet trekt de rechtspositie van (het overgrote deel van) de ambtenaren gelijk met die van werknemers in de private sector. Alle ambtenaren blijven de benaming houden van ambtenaar maar de meesten (met uitzondering van politie, defensie en rechterlijke macht als grootste groep) werken onder de nieuwe wetgeving op basis van een arbeidsovereenkomst in plaats van op een (eenzijdige) aanstelling. De ambtelijke rechtspositieregelingen worden vervangen door cao’s. Arbeidsgeschillen worden behandeld op basis van het civiele recht en door de Kantonrechter. En de ambtenaren krijgen net als de werknemers in de marktsector ontslagbescherming in vorm van een preventieve ontslagtoets.

Uitgangspunt van de nieuwe regelgeving is dat de arbeidsverhoudingen bij de overheid uiteindelijk gelijk moeten zijn aan de verhoudingen in het private bedrijfsleven, met uitzondering van die gevallen waarin er zwaarwegende argumenten zijn om dit niet te doen.

Concreet brengt wijziging van de Ambtenarenwet met zich mee:

  • ambtenaren krijgen een arbeidsovereenkomst in plaats van een aanstelling;
  • de preventieve ontslagtoets gaat ook voor ambtenaren gelden; ontslag is alleen mogelijk met toestemming van het UWV of met ontbinding door de kantonrechter;
  • tegen het ontslag of de ontbinding kan hoger beroep en beroep in cassatie worden ingesteld;
  • ambtenaren krijgen recht op een transitievergoeding, in de meeste gevallen naast het recht op bovenwettelijke aanvullingen (van de WW). Deze aanspraken vervallen niet automatisch. Het is aan de sociale partners om afspraken te maken over een vergelijkbare voorziening die kan leiden tot het wellicht verlagen of schrappen van de transitievergoeding;
  • de bestuursrechtelijke regels rond zienswijze, bezwaar en beroep komen te vervallen;
  • het arbeidsvoorwaardenoverleg, en de doorwerking daarvan, worden vervangen door het cao-recht;
  • taken en bevoegdheden van het lokale georganiseerd overleg (GO) ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden komen te vervallen en de Ondernemingsraad wordt in veel aangelegenheden de overlegpartner van de werkgever.

Hoe verder?

Nu het wetsvoorstel is aangenomen door de Eerste Kamer moet er een Invoeringswet worden opgesteld. Daarnaast zullen vele andere wetten en regelingen moeten worden aangepast. Naar verwachting zal invoering niet eerder dan per 1 januari 2020 plaatsvinden.

 

This entry was posted in Nieuws. Bookmark the permalink. Both comments and trackbacks are currently closed.